Archive for October, 2009

Fladderak*

Saturday, 31 October, 2009

Morgenavond is het halloween. Niet dat wij dat vieren of ons huis hier vol gestouwd hebben met allerlei griezeltuig, hoegenaamd niet. Maar de kinderen mochten vandaag, de laatste dag voor de herfstvakantie, wel geschminkt en verkleed naar school. Cas wou enkel zwarte ogen en een paar druppeltjes bloed. Dat in combinatie met zijn vleermuizenvleugels was al voldoende om hem in de sfeer te brengen. Marthe was Lotje de heks en Lena was gewoon prinsesje, zoals altijd.

Dat Cas en Marthe geïnteresseerd zijn in de zwarte vliegebeesten wisten we al. Vorig jaar zijn we, samen met nonkel Peter, op vleermuizentocht gegaan in de Turfmeersen in Moerbeke. Ook dit jaar werden er eind augustus, in het kader van de nacht van de vleermuis, her en der activiteiten georganiseerd. Natuurpunt Oosterzele deed van leentjebuur en week uit naar Vurste. Daar stond, naast een informatief gedeelte, ook een aantal wandelingen op het menu. Een van de wandelingen was de griezelverhalentocht. Aangezien wij, Cas & Andreas (een schoolkameraad), Marthe, Lena en mezelve, ruim op tijd afgezakt waren naar de place-to-be was er voor ons nog plaats. Er was zelfs nog tijd voor de meisjes om zich te laten schminken, als prinsesjes uiteraard. De dame die sponsje en kwast hanteerde was er zodanig in bedreven dat ik me moest reppen om nog een paar beeldjes te schieten van het ‘work in progress’. Ze was niet alleen snel, maar het eindresultaat was ook zeer naar de zin van de nieuwbakken jonkvrouwen.

20090829_vleermuizentocht_00220090829_vleermuizentocht_00320090829_vleermuizentocht_00820090829_vleermuizentocht_00920090829_vleermuizentocht_01220090829_vleermuizentocht_015

Na de ietwat langdradige en te theoretische uiteenzetting over de verschillende soorten vleermuizen die hier in onze contreien vertoeven was het tijd om het kasteelbos onveilig te maken, gewapend met een bat-detector, op zoek naar vleermuizen. Onze groepsleider was duidelijk al meer met jongeren “den bos ingetrokken”. Op een zeer begeesterde manier vertelde hij over het nachtleven in een bos. En dat is gevarieerder dan je zou denken. Alle zintuigen werden aangesproken om de nacht waar te nemen. De geur van de boskamperfoelie om nachtvlinders te lokken, de roep van de uil, het geratel van de vleermuizen in het ‘bat-bakske’, de glibberige huid van de kikker in het waterornamentje aan de ijskelder, het zoeken naar braakballen en het ontleden ervan. Voor we het goed en wel beseften was het al ‘stekedonker’ en zaten we midden in het park. Daar, achter het heuveltje, was een geïmproviseerd openluchttheaterzaaltje gebouwd. Met zeer primitieve middelen (een oude koplamp en een autobatterij zo bleek achteraf) kwam een nieuwe wereld tot leven, tot groot jolijt van de schare kinderen die daar maar al te graag in meegingen. Op het einde kregen ze elk nog een brownie met een gepoedersuikerd vleermuisje op.

20090829_vleermuizentocht_01920090829_vleermuizentocht_02320090829_vleermuizentocht_02820090829_vleermuizentocht_03120090829_vleermuizentocht_03920090829_vleermuizentocht_041

Na het verhaal liepen we nog langs een nachtvlinderobservatiepost (het lijkt hier de IQ-quiz wel) waar we te horen kregen dat er wel meer dan 1000 verschillende nachtvlinders waren die zeer frequent voorkomen in Vlaanderen. Een paar ervan hadden ze, om didactische redenen, eerder die avond al gevangen en in plastic potjes gestopt zodat ze observeren ietwat makkelijke werd.

Aan de laatste halte stonden de mensen van het Merelbeekse vogelopvangcentrum, waar af en toe ook wel eens een vleermuis wordt binnengebracht. Zij hadden een  paar levende dwergvleermuisjes die ze ons maar al te graag eens van naderbij lieten aanschouwen. Hun grootoorvleermuizen waren eerder van de dode soort, maar dat deerde de ondertussen bijna slaapwandelende bende jongeren niet.

Het was al tegen twaalven toen we Andreas veilig en wel thuisbrachten. Benieuwd of hij nu daadwerkelijk ondersteboven geslapen heeft.

*Fladderak is de vleermuis uit het Oinkbeest.

Josje

Monday, 26 October, 2009

Na de dood van Wiebe en Pjotr bleven we uitkijken naar een nieuwe speelkameraad voor Findus. Gelukkig zochten vrienden mee. Vriendin J. belde vorige week dat een vriendin van haar nog twee tijgertjes had, waarvan eentje bestemd was voor haar tante, maar door omstandigheden ging die adoptie niet door. Of wij geïnteresseerd waren. Ik stuurde Geert op pad om eens naar die poesjes te gaan kijken. Dat had ik misschien beter niet gedaan, want ‘s avonds kwam hij thuis met TWEE poesjes in de mand. En toen we die eruit namen bleken het geen kleine poesjes, maar al halfvolwassen poezen van 4 maanden oud. Ik weet dat kleine poesjes snel groot worden, maar als we dan toch een nieuwe viervoeter in huis krijgen, wil ik het eerste stadium liefst niet overslaan. Want geef toe, wat is er snoeziger dan een piepklein, zacht poesje. Niet dat Peppie en Kokkie – zoals ze door ons al snel gedoopt werden – niet lief waren, zeker niet. Ze voelden zich hier ook onmiddellijk thuis. Maar drie poezen vond ik van het goede teveel. En zou Findus zijn terrein wel willen delen met het olijke duo? Zou hij weer, zoals zo vaak met vreemde poezen in de tuin, het onderspit moeten delven? Ik vond het wat unfair tegenover hem, zo twee spitsbroeders op zijn dak. Dus werden goede adoptieouders gezocht voor Peppie en ging Kokkie terug naar zijn eerste baasje. Findus was weer alleen baas ten huize Roels.

Maar niet voor lang. Plots kreeg ik van H. een foto in mijn mailbox. Een mooi tijgertje staarde in de lens en was blijkbaar nog op zoek naar een warm huisje. Ik was onmiddellijk verkocht. Maar deze keer nam ik geen risico’s en zou ik zelf op prospectie gaan. De ‘eigenaars’ hadden een tijdje geleden een vreemde moederpoes met nest gevonden in hun tuinhuis. Het tijgertje was wat schuw, maar liet zich toch ook soms vastpakken. Soms. Maar niet als ik op bezoek kwam… Plan B ging in voege: ik ging naar huis, liet het mandje daar en ze zouden ons bellen als de poes in het mandje zat. Voor ik weg ging, kreeg ik nog een kruisverhoor van de jongste dochter des huizes: of ik wel wist hoe je voor poesjes moest zorgen? En of ik kindjes had die met het poesje zouden spelen? En hoe oud die kindjes dan wel waren? En hoe we haar zouden noemen? Toen bleek dat we nog geen naam in gedachten hadden, vertelden ze dat zij het poesje altijd ‘Josje’ noemden. En dat vond ik eigenlijk wel een mooie naam.

Op weg naar huis had ik wat twijfels bij mijn keuze. Zou het mooie poesje wel tam te maken zijn? Ik waarschuwde de kinderen dan ook alvast dat het poesje dat binnenkort zou komen nog wat schuw was en dat ze er nog werk aan zouden hebben. Maar, zoals Marthe wijselijk zei: “Mama, als jullie het niet kunnen nemen, dan zal ik het wel doen, want ik ben een dierenvriend en ik wil later dierenarts worden.” Ooo, die plotse herkenning van jezelf in je kinderen!

Toen de kinderen al een tijdje in bed lagen, ging de telefoon. Het was gelukt! Bij thuiskomst zat er een bang poesje in het mandje, maar ze liet zich toch vastpakken. Na een hele avond op onze schoot, leek Josje al wat minder angstig. Deze morgen liet ze zich gelukkig gewillig strelen door 3 paar grijpgrage handjes. Mijn vrees voor een mensenschuwe poes bleek dus ongegrond. Ze geniet zichtbaar van al de aandacht en ligt op dit eigenste moment naast mij in de zetel te spinnen. En nu duimen dat het ook met Findus klikt.

babyliefde

Monday, 19 October, 2009

Hoe komt het toch dat je andermans baby wel snoezig vindt, maar onmiddellijk ook denkt aan het werk, de slapeloze nachten, het gehuil, … Terwijl je bij je eigen baby vooral de leuke kanten ziet, zoals:

het geschater als je op zijn blote buik blaast
een warm, zacht hoofdje tegen je wang
de geur van weleda billenbalsem
kleine kleertjes strijken
mooi houten speelgoed
de luiers aan de wasdraad
het gerinkel van de speelboog als hij er met zijn voetjes tegen trapt
het vrolijke gewip in de relax

Kijk zelf maar:

stootbumper

Sunday, 18 October, 2009

Een mens kan zo al eens een zot gedacht krijgen, zo blijkt. Enkele weken geleden bedacht ik dat het toch een enorme hoop afval is, al die pampers die iedere week onze vuilbak vullen, zeker nu de gemeente ze niet meer selectief ophaalt. Waarom geen katoenen luiers gebruiken als ik thuis ben met Finn? Ja, waarom eigenlijk niet?

katoen

Maar dat is een ‘dure bedoeninge’, zo wierp Geert tegen. Zo’n investering doe je bij je eerste of bij je tweede kind, maar niet meer bij je vierde. Als je van elke maat een 20-tal luiers nodig hebt klopt dat inderdaad. Maar daar heeft men intussen al iets op gevonden: de meegroeiluier! Ze bestaan in één maat en met drukknopen kan je ze vergroten of verkleinen. Aangezien ze intensief gebruikt worden gedurende ongeveer twee jaar, raadt men deze aan voor één of twee baby’s. Koren op mijn molen, natuurlijk. Daarbovenop blijkt dat onze gemeente de helft terugbetaalt. Duur kan je het dan al niet meer noemen en wat rekenwerk leert dat we het bedrag er in een half jaar al uithalen. Geerts tegenkantingen verstomden.

Maar het is meer werk en je hebt al vier kinderen om voor te zorgen, hoor ik je zeggen. Ja, de luiers moeten inderdaad gewassen worden, maar mijn wasmachine heeft daar geen problemen mee. Ze kan dat helemaal zelf. Het verschil is dat er nu bijna iedere nacht een was gedraaid wordt i.p.v. vijf dagen op zeven. Maar meer dan op het wasrek gooien nadien moet er niet gebeuren.

katoen2Dus wat doet een mama als het kindje slaapt en het huishouden aan de kant is? Juist, eens surfen om te zien wat er tegenwoordig op de markt is. En dat is heel wat! Het verschil met 8 jaar geleden, toen we dat bij Cas even in overweging namen, is bijzonder groot. Niet alleen zijn er veel meer soorten en merken, de materialen zijn ook uitgebreid. Katoen is een vlag die de lading niet meer dekt. Je moet het nu eigenlijk hebben over herbruikbare of wasbare luiers. Die kunnen van katoen gemaakt zijn, maar evengoed van hennep, bamboe, fleece, microvezel,… Het ene neemt veel vocht op, het andere is snel droog, voor elk wat wils dus. En zijn ze ook niet gewoon mooier dan een wegwerpluier?

Toegegeven, het neemt wel meer plaats in in de kast en het is – toch in het begin – iets meer werk om aan te doen, want je hebt de luier, die nat wordt, en het overbroekje, dat alles tegenhoudt. En dat moet je nauwgezet over elkaar aandoen, anders krijg je lekken. Maar dat dit wat langer duurt, vindt lachebekje Finn helemaal niet erg. Hij is een gewillig proefkonijn en laat mama geduldig oefenen.

Vanaf nu gaat Finn dus door het leven met een ecologisch verantwoorde stootbumper om zijn poep! En over twee jaar heb ik weer iets nieuws om te verloten onder de gegadigden.

kweeperen

Sunday, 11 October, 2009

Toen we een paar jaar geleden op zoek gingen naar een nieuw fruitboompje om tussen de bessenstruiken te zetten kwam ik al snel met de kweepeer op de proppen. De vruchten zijn esthetisch misschien niet de mooiste en uit het vuistje kan je ze al helemaal niet eten, toch ik vind ze vormelijk zeer interessant en ze geuren ongelooflijk lekker.

Die geur brengt me terug naar mijn grootmoeder langs moeders zijde, Bomma mochten we haar noemen. We moeten eventjes een goeie 20 à 25 jaar terug. Bomma woonde toen nog in haar huis in de Kerkstraat in Waterland-Oudeman. Langs het poortje aan de rechterzijde kwam je eerst in een bloementuintje met daarachter een pad. Het pad, dat tevens de scheidingslijn was tussen de moestuin van Bomma en deze van de buur, bestond uit gebroken zeeschelpjes en mosselschelpen en was afgezet met lage golvende betonplaatjes. Het liep langs de moestuin met onvervalste poldergrond en langs de boomgaard tot helemaal achteraan bij de kippen- en konijnenren. Dat van die konijnen leid ik af uit de hokken die achteraan de ren stonden, maar voor zover ik me herinner heb ik daar geen konijnen zien rondhuppelen. Aan de zijkant van de ren, in het verlengde van het schelpenpad, stond een merkwaardige boom. Hij boog op een halve meter hoogte 90 graden en groeide zo een heel eind horizontaal door. Vanop die ‘zwevende stam’ sproten scheuten de hoogte in, met aan de takken overheerlijk ruikende kweeperen.

Naar jaarlijkse gewoonte ging ik tijdens de zomermaanden helpen met de ‘grote kuis’. Samen met mijn moeder, nonkel en tante werd dan het hele huis, kelder en ‘stalleken’ incluis, grondig gepoetst. Het was op het einde van een van die schoonmaakdagen dat ik met nonkel P. verzeild raakte in de toen reeds verlaten kippenren. We hadden er om een of andere reden een hele hoop afval (ik vermoed snoeiafval) gestapeld en speelden van ‘vuurkestook’. Toen mocht dat nog. Het vuurkestook ging echter net iets te heftig en voor we er erg in hadden stond de mooie kweeperelaar van Bomma ook in lichterlaaie. We trachtten hem nog te vrijwaren, maar het grootste kwaad was geschied. Toen het vuur gedoofd was zagen we dat een groot deel van de perelaar zwartgeblakerd was. Het zou nooit meer goed komen met de boom, tot grote spijt van Bomma, die wel een boterham met kweepeerconfituur lustte.

Dus uit schuldbesef en een soort ‘Wiedergutmachung’ plantten we drie jaar geleden onze eigen kweeperelaar. Het eerste jaar hadden we welgeteld één peer. Vorig jaar mochten we er een stuk of 10 tellen, wat al bij al niet slecht was in een rampjaar als dat van 2008. Dit jaar had het boompje het echt zwaar te verduren. De rijkswacht zou het wellicht bij 20 houden, maar ik schat dat er zeker zo’n 35 peren in het slechts-een-paar-takken-tellende-boompje hingen. En als je weet dat een kweepeer al gauw een goeie halve kilo kan wegen weet je meteen ook waarom de takken vervaarlijk aan het doorbuigen waren.

Toen ze voor vorig weekend rukwinden en regen voorspelden nam ik het zekere voor het onzekere, haalde mijn laddertje uit de garage en plukte het grootste deel van de oogst. Zo kon het boompje wat op adem komen en was de kans klein dat een rukwind niet alleen de peren maar ook de takken zou beschadigen.

Volgende week zet ik er het mes in en worden ze omgetoverd tot potjes gelei. Lekker voor op de boterham!

20091003_kweeperen_00620091003_kweeperen_00520091003_kweeperen_00420091003_kweeperen_00320091003_kweeperen_00220091003_kweeperen_001